Het box 3-stelsel verschuift naar belasting over werkelijk rendement: het daadwerkelijke, nominale rendement op vermogen in plaats van een fictief forfait. Voor de jaren 2017-2027 kun je dit via het OWR-formulier (Opgaaf Werkelijk Rendement) vrijwillig opgeven om compensatie te krijgen als je werkelijke rendement lager uitvalt dan het forfaitaire. Vanaf 2028 geldt dit als hoofdregel via een nieuw wetsvoorstel
Wat is “werkelijk rendement”?
Werkelijk rendement omvat het totale nominale resultaat op al het box 3-vermogen, inclusief spaargeld, beleggingen, onroerend goed en leningen. Het betreft zowel direct rendement (rente, huur, dividend; alleen rentekosten op schulden aftrekbaar in de OWR-fase) als indirect rendement (gerealiseerde én ongerealiseerde koers- en waardeveranderingen, zoals WOZ-mutaties voor woningen) .
De berekening gebeurt over het gehele box 3-vermogen (geen aftrek heffingsvrij vermogen), nominaal per kalenderjaar (geen inflatiecorrectie), met samenvatting van plus- en minresultaten binnen dat jaar. Voor OWR (2017-2027) geen verliesverrekening tussen jaren; vanaf 2028 wel.
Waarom deze koerswijziging? (arresten juni 2024)
Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad in de D-Day-arresten dat de box 3-heffing, ook onder de Herstelwet en Overbruggingswetgeving, in strijd blijft met het EVRM (eigendomsrecht en non-discriminatie) als het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke. Belastingplichtigen moeten kunnen aantonen dat hun werkelijke rendement lager ligt, waarna alleen dat lagere rendement belast wordt. Dit leidde tot de Wet tegenbewijsregeling box 3 en het OWR-formulier voor jaren 2017-2027.
Wet werkelijk rendement box 3 (vanaf 2028)
Het kabinet diende in mei 2025 de Wet werkelijk rendement box 3 in. Hoofdregel: vermogensaanwasbelasting over direct en indirect nominaal rendement tegen één tarief (~36%), met heffingsvrij inkomen (€1.250-€1.800 pp) in plaats van heffingsvrij vermogen. Vanaf 2028 verliesverrekening en bredere kostenaftrek (incl. beleggingskosten). Oorspronkelijk 2026/2027 gepland, nu vroegst 1 januari 2028 bij aanname vóór maart 2026. Definitieve invoering afhankelijk van parlementair traject.

